Wednesday, July 19, 2006

In alle stilte


Doorgronden wat dit is;
het kent geen vorm,
het ontkent zichzelf,

heeft geen kennis, weet
niet wat het wil, ruist in
de wind, zoekt niets.

Het wil zeggen; dit is wat
zich voordoet, nu, op dit
moment, dit mistige uitzicht,

dat rustige paard. Bedaard
als een ogenschijnlijk ogenblik.
Een rivier, een gedachte;

ergens begint een zin, maar
maakt niets af, ergens klinkt
een stem, maar kent geen

gehoor. Een plek om te blijven.
Niets stelt zich een vraag. Hier
heerst het volmaakte;

dat het uitzicht, het paard, de
rivier dezelfde zijn, wij niet
kunnen zeggen hoe eenvoudig

het is. Laat het zich aan raken,
telkens weer, om te worden
gekend, te worden gezien.

Niet anders.


Elbert Gonggrijp, Heerhugowaard, 22 februari 2006

Monday, July 17, 2006

Verzonken

Verzonken


Zo is een paard: het heeft
zich tegoed gedaan aan haast,
is weer door stilte uitgevlakt.

Nu staat hij daar: geschilderd
vindt het rust, kijkt meewarig
voor zich uit, opgelost in
grijzen.

Zo doet een paard: de blik
oneindig om mij meedogenloos
te bereiken., een houding
geveinsd van kalmte.

Misschien ben ik dit: een
wezen zo sereen dat zwijgen
lijkt op briesen, een zacht
gefluister in de nacht.

Kom ik je halen, als het zover
is, als mijn taal is als de jouwe,
zoals een paard dit doet:

bedaard in al zijn elegantie.


Elbert Gonggrijp, Bergen, 14 juli 2006

Monday, December 19, 2005

Zoals

Zoals


Zoals het lied
De vroegte doorbreekt
En zich de ochtend
Toeeigent.

Ik heb hier niets
Misdaan, ook nu
Niet.

Ik keek toe hoe
Hier iets van stilte
Ontstond, stilte
Rond een vogel.

Jij was teder geweest
Vannacht, mijn liefste,
Wat ik ervan verwachtte
Bleek ook waar te zijn.

Zongen wij even
Ingehouden, niet meer
Of minder lichtzinnig.


Elbert Gonggrijp, 14 januari 2005

Monday, November 21, 2005

Spiegel


Na hoeveel woorden is het genoeg,
Dat gedicht van ons, is het zichzelf,
Stroomt het zonder de gedachten
Naar dorst en veel heimwee?

Hoe heb ik jou gekend, je stond zo
Naast de wereld en had mij lief. Je
Bekeek wat ik beoogde en leefde
Je eigen plek.

Zie je die koe, ook zij kent haar
Vreugde, maar tergend langzaam,
Alsof het nog niet hoeft, alsof alles
Wat ik wil niet haalbaar is;

Geluk, grazend in gras, zonder te
Weten wie zij was, kijken naar
Wie wij zijn en het vergeten.
Zo onwillekeurig als dat.


30 oktober 2005

Wednesday, November 16, 2005

Als vee

Er is weinig begrip onder het vee;
zij grazen zonder op te kijken,
trage ogen zonder weet van het
een of ander.

Zo moeten ook wij zijn geweest;
een eender dier, starend in de verte,
enkel bij machte om onszelf te zijn.

Zie onze handen trillen, als het om
liefde gaat, onze ogen vochtig
worden, zonder dat wij het begrijpen.
Dat je aanwezig bent, om aandacht
vraagt.

Er is weinig begrip onder het vee;
wij grazen verder, alsof hier niets
gebeurt.

Een lichte huivering van de huid
ten teken dat het nog leeft, nog
adem heeft.


8 november 2005

ONDER PAARDEN

ONDER PAARDEN


Wij hadden dit kunnen zijn,
dit landschap, deze bomen, dit water,
maar wij keken niet op of om,
waren elders, in gedachten,
onder paarden.

Zie het aan; hoe hij luistert,
terwijl je praat, huivert, terwijl je lacht;
ja , jij was het, toen jij hem aankeek,
gras at, galoppeerde.

Jij bent zo goed als hij, weet hoe het is
om dier te zijn, hier, op deze weide,
hier, in dit ogenblik.

Wij roken weer naar stro, naar de nestgeur
van paarden, lieten ons aanraken, hier,
onder de bomen, in het hoge gras;

keken wij niet op of om,
maar graasden verder.


Elbert Gonggrijp, 14-11-2005
Foto Conny Lahnstein,  PWN duinen Bergen aan Zee,  2016