Saturday, October 20, 2012

Handing it over



Hoe geef ik mijn blik
aan de horizon, de schelpen
aan de golven?

Ik heb de branding doorstaan,
langs de vloedlijn gelopen,
de vogels vliegend, de
meeuwen lachend om zoveel
onbenul.

Niemand reik ik de hand.
Dit is het ergste wat er is:
een stem een verloren stem,
eenzaam gewonnen door
de wind.

Jij ziet mijn voetstap in
het natte zand, vervaagt het,
vervaagt het.

Blijf ik op jou achter.

Backwards



Maar andersom: in zee
te lopen, plankton te
worden, de dood tegemoet.

In scholen blijf ik
naamloos, heeft blijven
geen haast.

Golf na golf raak ik
vergeten, fluisteren
schelpen je vage
beneden door:

Dat ik blijf, dat ik
terug kom, dat ik
blijf….

Weet ik nog niet
hoe.

Song of the siren(Reprise)



Hoe ver wij niet waren:
water werd land,

Instinct verstand. Er was
geen roep meer nodig.

Jij ontbrak. Je herinnerde
aan de dagelijkse tred
langs het strand.

De vlokreeftjes, het
blaasjeswier. Het volgen
van de vloedlijn.

Roepen de golven,
krijsen de meeuwen:
“ Go home, this is
where you belong, go home. “

“ Het is nog niet te laat. “

Song of the siren



Het roept, zoals het
ons altijd heeft geroepen.

“ Kom terug, hier zal je zijn,
in het aanspoelsel, in de
vloedlijn. “

Klanken gaan af en aan,
keren terug op hun schreden.
Schelp voor schelp vertelt
het hoe ver wij zijn.

Golven later ruik ik
zout, pek, veren.

Zoek ik plek voor mijn
overtollige gedachten aan
het vlakke strand, de
zilte zee.

(Nog niets voor handen.)


5 mei 2005

Man of the sea



Hoe het ons herinnert, hoe
wij het ons herinneren:

Golf na golf spoelt het weer
aan, schelp na schelp fluistert
het ons harde woorden in van
zee en zon.

Hier komen wij vandaan: “ Out
of the ocean, out of the deep
blue sea. “

Tussen het wrakhout moet ik
het zoeken, het laatste bewijs,
dat ik ooit over deze bodem
kroop, dat ik hier in scholen
zwom.

Stapt mijn voet in een dode
kwal, geeft het mee, wil het
van geen wijken weten

Mijn blik klevend aan de
horizon: ergens, ergens daar…


5 mei 2005

Zout



Het water van de zee is altijd zout,
ligt ons op de lippen,
keert altijd bij ons terug,
golf na golf.

De smaak vergeet zich niet:
als een klank wordt zij herinnerd,
hoe wij in scholen zwommen,
over de bodem rondkropen,
slechts plankton waren,

Walvissen zo groot.
Wij stappen aan land en ademen lucht,
proeven voor het eerst aarde, bloesem, vuur.

Een eerste stap,
een stamelen in het duister.

Horen wij onszelf,
zeggen niets.

Lost paradise



Hoe hebben wij de branding
doorstaan, onze eigen weg
gevonden?

Schelpen later ontstaat pas
het verhaal. Hoe wij als een
school te samen kwamen,
adem haalden, ons wierpen
op het vlakke strand.

Kijk, hier gebeurde het, daar
waar je nu staat, tussen de
wieren. Wij liepen ineens
rechtop, gaven hand in hand.

De zee neemt mij nog steeds
ter kimme, wanneer het hier
goed toeven is.

Zoek ik het echter elders van
hier, hoger en droger…


7 mei 2005

Origine



De zee: hier zijn wij een bestaan
zonder ons te kennen,
zonder erbij stil te staan,
golf na golf na golf…

Ergens klinkt nog onze stem,
zo helder, zo intens,
ooit moeten wij dit zijn geweest,
vruchtbaar als water.

Het schuimt, gaat af en aan,
fluistert ons nieuwe woorden in,
dat het plankton, de kwal en de walvis
een en dezelfde zijn.

Wij, ten ene male wij.

(Ons oor een schelp
die ruist in de wind.)

Holoceen



Zijn wij zuiver als zand? De zee komt en
gaat, raakt aan ons bloed, verwaait in
ons, tot tranen toe.

Het helmgras freest zijn kleine cirkels in
het duin, kent ook de onze.

Slibt aan wat ik reeds vergat: een
Holoceen, de kust, mijn gedachte...


2 mei 2005

Friday, October 19, 2012

Witte ruis



In alle stilte geen
woord teveel , de
schelp aan het oor.

Boven de golven uit
zet ik mijn laarzen
in het zand, zoekt
mijn blik witte ruis.

Het helmgras, de
meeuw, het zilte
wier.

Tegen de wind
in vind ik het:

Een naijlend
begin, fluistering
na fluistering.

Wil ik jou er niet
in horen.


2 mei 2005

Sunday, October 14, 2012

De laatste merel



Waarvan zou ik nu nog zingen? De mei is
uit de maand en de jongen zijn gevlogen
– vorst zonder mededogen kent eerste
opgebolde veren.

Honger strooit bessen in het rond – tijd vol
rijp en raadsels die bevriezen. Er is een
grillige winter op komst – waarheen het
vliegen te verliezen?

Argwaan heeft zijn lettergrepen, slaat bij
onraad heftig aan – geen zoetgevooisde
nachten meer die de klanken liefde geven
– een diminuendo op het eind.

Ik vlucht.De tuin is mij geduldig. Hoe
zou het zijn om hier te blijven?...


14 oktober 2012

Saturday, October 13, 2012

Op het spoor

KNNV excursie


Landschap dat stilzaam woedt,
winden aait, wolken dreigt,
ijs en weder dienende.

Duinsgewijs de gesel Gods die
wij trots trotseren, ons zwam
en mos proberen.

Het is genoeg. Is dit het dan
dat je mij vroeg om zacht
voor mij uit te leren?

Al ingeklemd de winterslaap
die weldra nog komen
moet.

Maar eerst de tere groet van
wat straks breken zal, in
haar langzame verval.

Een steel, een hoed. Het mos
blijft, ook als zij te kwijnen
lijkt.

Ik kijk, ken geen verweer…



Saturday, October 06, 2012

Foto

Ter nagedachtenis van mijn moeder


Stilgezet, geen woord gedacht,
een glimlach tot een stand
gebracht.

Wie je bent wordt wie je was,
een strak moment nooit oud,
steeds jong, geen lieverlee

of wederom. Toch wordt het
steeds mij toevertrouwd en
keert de tijd het lot.

Ik kus het beeld, het lief gezicht
en zet haar weg in het licht.
Het staat er nog…

Monday, October 01, 2012

Leegte



Laten we stellen – leegte. Leegte is het
meervoud van stilte. Een kus op de
wang van het vergeten.

Juist nog bij leven aanbeland – ogen
traag van begrip, handen die geen
afscheid willen nemen.

Leegte. De deur de vrijheid geven dicht
te slaan – als het niet meer hoeft – de
woorden ruw en stroef.

Uit het zicht. En wat daarna: het bed
slaat zacht het heimwee op, de blik
staat al dagen naar het missen.

Leegte is een meervoud van stilte. Aan
gebrek is nooit genoeg. Wachten een
vergeefse poging tot vinden.

De pen heeft de tijd…

Elbert Gonggrijp, Heerhugowaard, 1 oktober 2012

Friday, September 28, 2012

Neervlijen

Opdracht Schrijvenswaard “ Vallende bladeren “


In het neervlijen het langzaam vergeten.
Elke kleur wil anders. Geen naam blijft
hetzelfde. De een na de andere.

Ach, te zoeken tussen verdoolde bladeren.
Achteraf gebleken wat met het vallen
werd bedoeld. Een kille herfst
voorhanden.

Oud te worden zonder heimwee. Dit is
nooit nieuw en gaat nimmer over. Een
ontvangende aarde van einde en begin.

De boom standvastig. De tijd kent haar
belofte. De kroon ontkiemend in de
toekomst.

Zal ik gaan of zal ik wachten?...


28 september 2012


Sunday, September 23, 2012

Voorbij het kijken

Opdracht Schrijvenswaard “ Handen “


Dagelijkse gebaren van onschuld
of bedrog. Handen zoekend naar
de toekomst van de liefde.

Een dieper zwijgen naar elkaar,
weifelend tussen huiver en
begrijpen.

Een tasten in een voelbaar duister,
langzaam van zichzelf bewust.
Houvast voor het ogenblik.

Verder dan elk kijken. Het lichaam
leeft zijn raadsels uit. Een huid
wachtend op verbazing.

Moedige vingers verkennen elk
antwoord, zijn op leugens
voorbereid.

Tot het laatste strelen…


21 tot en met 23 september 2012



Saturday, September 22, 2012

Nocturne 2.


Voorbij elk kijken tracht ik mijzelf
te zijn: merel tussen de mensen. Ik
zing het van de daken.

Mij niet zien doet vermoeden dat ik
besta, dat ik voortleef in nooit
gestelde vragen.

Wees gerust. Ik ben er. Ik ga pas als
het moet. Ik ga pas als ik er toe doe.
Als ik ben aangebroken.

Zover is het niet. Er moet nog
een lied van liefde en vroegte. Er
dient nog geruzied en gevochten.

Zingen om de stilte heen, over
heimwee, voorbij elk kijken. Dat
het je grijpt, dat het je vangt.

BROER KONIJN



BROER KONIJN
Uit mijn laatste bundel
" Voorbij elk kijken " (2011)


Zo vanzelfsprekend mijzelf, zo in
mijzelf verblijvend rest mij enkel
het kijken. 


Er is het landschap waarin ik woon,
de stoïcijnse duinen. Zij verroeren
zich niet. Zij verstuiven. Hier ben ik


thuis, het schichtige konijn en al wat
hier moet onderduiken. Alles lijkt
hetzelfde, alles lijkt zo gewoon. Ik


wil hier weg. Ik wil zoeken, vluchten,
vinden: het spoor terug, een clou,
een teken van leven. Ik wil gaan


zonder dat ik weet waarheen, waar
vandaan. Maar ik blijf. Ik eet gras en
wacht in mijn hol op het duister.



Elbert Gonggrijp,  Heerhugowaard,  2009(?)
 Schilderij @ Maceij Francisz " Wild Rabbit "






BROER KONIJN



BROER KONIJN
Uit mijn laatste bundel
" Voorbij elk kijken " (2011)


Zo vanzelfsprekend mijzelf, zo in
mijzelf verblijvend rest mij enkel
het kijken. 


Er is het landschap waarin ik woon,
de stoïcijnse duinen. Zij verroeren
zich niet. Zij verstuiven. Hier ben ik


thuis, het schichtige konijn en al wat
hier moet onderduiken. Alles lijkt
hetzelfde, alles lijkt zo gewoon. Ik


wil hier weg. Ik wil zoeken, vluchten,
vinden: het spoor terug, een clou,
een teken van leven. Ik wil gaan


zonder dat ik weet waarheen, waar
vandaan. Maar ik blijf. Ik eet gras en
wacht in mijn hol op het duister.



Elbert Gonggrijp,  Heerhugowaard,  2009(?)
 Schilderij @ Maceij Francisz " Wild Rabbit "






Broer konijn



BROER KONIJN
Uit mijn laatste bundel " Voorbij elk kijken " (2011)


Zo vanzelfsprekend mijzelf, zo in
mijzelf verblijvend rest mij enkel
het kijken.

Er is het landschap waarin ik woon,
de stoïcijnse duinen. Zij verroeren
zich niet. Zij verstuiven. Hier ben ik

thuis, het schichtige konijn en al wat
hier moet onderduiken. Alles lijkt
hetzelfde, alles lijkt zo gewoon. Ik

wil hier weg. Ik wil zoeken, vluchten,
vinden: het spoor terug, een clou,
een teken van leven. Ik wil gaan

zonder dat ik weet waarheen, waar
vandaan. Maar ik blijf. Ik eet gras en
wacht in mijn hol op het duister.



Om de stilte heen



Als je het niet wist, als je
het niet zocht, als je het
niet zag, riep, voelde:

laat het zingen aan de wind,
laat het deinen aan de golven,
maar zachtjes, om de stilte
heen.

Om de stilte willen woorden,
zoeken mensen, is men
eenzaam.

Laat de pen de hand proberen.
stilte om de schrijver heen. In
stilte stilte dichten.

Het schrift weer weg te leggen,
de waarheid onder ogen zien.
Laat ons leven om de stilte
heen.


Water and dust

Water and dust
Muziek Antony and the Johnsons


Dan gaat het zo: water te worden,
dorstlessend water, stof te zijn, droog
stof, in elk atoom, in al het herhalen.

Als wij koud zijn, water en stof, zal
het ons vergaan en niets te denken
geven dan wat er overblijft.

Niets te weten of te horen of dode
dingen tot geluk kunnen behoren,
levend, zonder zorgen.

Wat er overblijft: iets in de tijd, iets
van zijn vorm, tot het zich loslaat,
tot ik vergeet.

Ik zal het geduld zijn dat ik besta.





Tuesday, September 18, 2012

Decorum



De tijd vertraagt, de dag doet
erg voorzichtig. Er komt een
herfst aan, rijp en roestig
van geduld.

Alles aan een zijden draad.
Spinrag van huiver en angst.
Ik moet aan elk triest voorval
wennen.

Oppervlakkig land vergeet zijn
rijkelijke oogst, zal van voor
af aan beginnen. Het zaaien
mist een node hand.

Beslagen nu de dromen van een
verhitte zomer. Oude vingers
vormen dikke tranen. Druppels
langs verlopen namen.

Dreigende wolken spannen samen.
Regenschermen die het land
verwerven. Dit wordt mijn
thuis, nat tot op de huid.

Het gepopel aan de ganzen.


12 tot en met 18 september 2012

Monday, September 10, 2012

(Geen titel)

Voeten willen altijd anders.
De vloedlijn wemelt ervan.
September heeft haast.

Nu de laatste zonnestralen.
Branden doet bakken.
Als verlamd.

Op de uitkijk blijf ik wakker.
Schelpen geven geen repliek.
Het zandkasteel houdt stand.

De dag verdampt. Mensen
weten van zichzelf, gekend
of ongekend.

Wie thuiskomt zal de zon
vergeten tot de zon hem
terugverlangt.


Egmond aan Zee, 9 september 2012

Friday, September 07, 2012

Nanacht

Verloren liefde

Geen lijf, geen liefde. Wakker worden heeft
een ziel van leegte. Van alle woorden word
ik bang.

De sterren staan te vergaan. Een stille maan
heeft te verbleken. Er is geen omkijken naar.
Een schamper vergeten.

Hoe oud moeten wij nu verder gaan. De vroegste
vrede zo tergend langzaam dat het bed ons
dreigt te verlaten.

De nanacht heeft er oren naar. Wat wij ons
ervan inprenten maakt dromen overbodig.
Handen tastend naar onmacht.

Zo wil ik niet verdwijnen. De ordeloze lichtheid
van een ongewenste morgen. Het is te snel
en hopeloos te leven.

Geef mij dus even. Ik ben aan ons afscheid zo
gehecht. Als het het laatste zal zijn, is elk
wachten geslecht.


7 september 2012

Sunday, August 19, 2012

Wat ontbrak



Van het pad geweken, in het duister
omgezien – het konijn voortvluchtig
voor onze voeten, de merel verstoken
van zijn zang.

Alarm – wat zich niet laat zoeken moet
dus wel verborgen zijn – op zijn hoede
– wat zij veinzen heeft geen groots
alibi.

Wat heeft tijd – de bomen weten van
geen antwoord – er wil geen weg terug
– ouder, triester – elk seizoen weer
anders.

Jou te zien vluchtig als vogels – buizerds
verdwijnend op thermiek – lome cirkels
in een hete hoogzomer.

Het papier kan weg – zodra het zwijgt wil
geen letter blijven – inkt vloeibaar tot
de regen.

Ik moet verder.


20 augustus 2012


Sadness


Mooi is ze, koningin van een
zomer, maar wat zegt het.
Luchtig draagt ze haar woorden,
maar wanhopig en wit.

Een verbazend warme augustus,
zich verkoelend aan de wind
die zachtjes fluistert in mijn
oren.

“ Het is je tijd nog niet. “. Jij ritselt
tussen mijn gedachten. Het wordt
oud voordat je ze leest.

Koeien grazen de gretige dag, het
landschap slaapt vredig in. De
zwaluwen willen haast.

Ingehouden het afscheid dat ik
voor je schreef. Ik zou naar meer
moeten verlangen.

Niets zo trefzeker als die stilte.




19 augustus 2012

Monday, August 06, 2012

Wat ik vond

Strandexcursie KNNV Petten


Er is geen detail gelijk – een schelp, een krabbenhuid – en
maar zoeken, met handen in het zand – stenen om te
keren – als kinderen, de emmers vol garnalen – even
verbaasd, even gretig.

Waar is de tijd? Soms heeft het jaren, soms verdwijnt zij
bij het benaderen – wieren kwetsbaar woelend in het water,
kwallen doelloos tot de dood – de namen brak van klank,
de kennis vervagend tot een vraag.

Wat ik vind slaat boeken open – achteraf. Waar ik kijk kent
houvast het bewijs – aanspoelsel aan de kantlijn van mijn
dromen – nog altijd – eb en vloed te samen. Het jutten
dat een kleinood loont.

Elke voetstap tot vondst vertraagd – grip te houden op
vandaag – nooit meer om te zien en terug te keren – te
beamen of te verwerpen – tot de zee, de onmetelijke
zee.

Mij te noemen bij de letters van dit ritme – golf in, golf
uit. Wat ik zocht zal ik steeds leren – te kruipen diep mijn
adem in. Bloed zilt sidderend door mijn aderen – tot het
land langzaam bewegen.

Luttel relict van ouder leven – wat naruist doet zijn inspraak
in de wind – het oor tot klank verbogen. Als je goed
luistert kun je mijn stem hierin horen.
Schelp tot de allerlaatste keer.


6 augustus 2012

Sunday, July 15, 2012

Vooruitzicht

In memoriam Rutger Kopland


Er is geen oponthoud. In
alles ouder wil geen wereld
stil gaan staan.

Maar uitzicht kent uitzicht en
heeft geen namen. Zelfs toen
je was weggegaan.

Denken is vooruitzien.
Het herinnert zich, vroeger
of later.

Wij lezen de grondtoon van jouw
zwijgen. Een mens, verborgen
in de kantlijn.

Hier op te houden. De deur dicht,
de sleutel gebroken. De dichter los
van de toekomst van zijn dromen.

Het uitzicht blijft.


15 juli 2012

Wie ik was

In memoriam Rutger Kopland


Beseffen tot ik het weer wist, de deuren
altijd open. Naar buiten kijkend totdat
ik je niet langer zag.

Er is geen God zo groot dat het zich
meer verlangde: een beek geklemd
tussen haar oevers.

Wat ik wil zeggen legt zich niet vast.
Wie van zichzelf zwijgt, herinnert zich
geen ander.

Mooier is er niet. De stilte dicht. Wat
hierna komt kent geen woorden. De
toon gezet.

Er is geen afscheid. De tuin zal zichzelf
nooit verlaten en de merel zingt zijn lied.
Hoe het zal zijn kent weinig heimwee.

Wat blijft is een lege plek.


15 juli 2012

Thursday, July 12, 2012

Niche

Bankje Park van Luna


De bomen leren zwijgen en riet kent
ruis. Hoe nauw luistert het water naar
de schittering van haar golven?

Jij kent mij amper. Ik geef niet thuis. Er
is een kind voor nodig om tot mijzelf
te komen.

Als ik opkijk is wie ik liefheb voorgoed
verdwenen. Ik kan liggen waar ik was,
voor de wereld alsmaar dover.

Heb ik voor mijzelf gekozen? Een
verloren zoon geboren tot het schier
onmogelijke?

Wat ik weet ruikt naar beloftevolle
ochtenden, een moeder met een
blanke huid en open armen.

Zij lacht. Waar zij ontspringt, heeft de tijd
haar seizoenen, kan ik nooit de laatste zijn.
Waar ik stop, ben jij ooit begonnen.

Zal ik blijven of alsnog opstaan? Wie mij
loslaat kent weinig heimwee. Ik orden
mijn gedachten tot mijn laatste leeftijd.


30 juni tot en met 12 juli 2012

Monday, July 09, 2012

PAUZE

PAUZE

Ter nagedachtenis Hans Faverey


Zo ledigt een glas niet zichzelf,
valt een steen niet over zijn
zwaartepunt.

Water, reikend tot de mond,
handen tastend naar houvast,
wachten nog op mij.

Iets moet vaart krijgen, aanvangen,
voordat het stuk valt, de grond
raakt, weg stroomt.

Het herhaalt zich, krijgt gestalte, om
aan te vangen, steeds opnieuw
en opnieuw.


Gedichten 2005-2011



Distance and time


Naar song Fink

Als de tijd komt, als wij aarzelen
om elkaar te ontmoeten of
tegemoet te komen,

als tijd nog rijpen moet om
roos te zijn, vlinder, of iets
tussen elke vorm van liefde in,

laat ons dan zijn waar we voor
gekomen waren, laat ons tijd
zelve zijn en rijpen,

de klok stil te zetten en verder
te gaan waar wij ooit gebleven
waren, in het volle licht,

bij het vallen van de avond.


Gedichten 2005-2011



In duizend zoete armen

Etty Hillesum


Wie ben ik dan, als ik over liefde
zwijg, wie ben jij dan? Er
wordt tederheid verwacht.

Er worden mij duizend zoete
armen toegedacht. Wat bracht
jou tot mij samen?

Kennen ogen hetzelfde doel?
In het kijken het tederste te
beleven, wat wij van

elkaar verstaan? Liefste, in
de holte van de nacht kent
stilte vele talen.

Er is geen ontwaken aan. In
duizend zoete armen
moeten wij ons

verwarmen. Los, samen, in
en uit elkaar. Geef ons de
genade. In duizend

zoete armen wil ik wonen.


Gedichten 2005-2011

Thursday, June 21, 2012

Weelde

Opdracht subgroep Schrijvenswaard “ Bloementuin “


In al het kijken neigt het bewonderingwaardig
cliche – bloemen, gerangschikt naar eigen
aard willen voortaan weelderig lijken.

Waar verblijft de tijd? Vergankelijkheid kent
haar seizoenen – in een enkel jaar kunnen
kleuren pracht en praal bepalen.

Tot in het vergaan. Wat steeds blijft wil altijd
anders, bloei en groei gelijk. De insecten
schrikken er van.

Ik verken vertrouwd mijn paden. Wat mij
aangaat kent mijn richting, de geuren
achterna.

Als ik omzie is het te laat. Het moet nog een hete
zomer worden om mij alsnog te ontmoedigen. De
tuin heeft haar omtrek nog niet verlaten.

Wij noemen dit ervaring.


21 juni 2012

Tuesday, June 12, 2012

Wissels

Opdracht Schrijvenswaard


Wij rakend aan een tijd die ons voorbij
raast. Het tegenovergestelde verwachten
– een wederzijds begroeten, een trein die
met elk gesprek verder gaat.

Niets ervan is waar. Over en weer vindt een
elders plaats. Een afstand die zich niet laat
bedwingen. Elke seconde er een te veel.

Als je op kijkt blijkt alles net zo goed
voorbij. Zonet nog de wissels. Wat wij van
elkaar wisten zal zich niet meer herhalen.

Elk herkennen op dood spoor gezet. Waar
ik je zag zitten een lege plek – treinen
die strak op schema gaan. Denken niet wetend
wat passeerde.

Vragen even nutteloos als beantwoord.
Wie ons tegenkomt kent louter toeval.


12 juni 2012